Zware mensen durven vaak niet te sporten

Sporten en bewegen gelden als wondermiddel. Vooral mensen met overgewicht worden gepusht om in beweging te komen. Maar voor dikkerds is het vrijwel onmogelijk dat met plezier te doen, zegt psycholoog Noortje van Amsterdam. ,,Sport kan een bron zijn van uitsluiting.’’
Te dik? Depressief? Agressief? Ga sporten, ga bewegen, ga hardlopen! Sport en beweging worden vaak gezien als het wondermiddel. Bovendien – zo wordt gedacht – is het goed tegen sociale ongelijkheid; als mensen met een uiteenlopende sociale, culturele of economische achtergrond samen sporten, zijn ze meer elkaars gelijken. ,,Maar sporten doet meer’’, zegt antropoloog en sociaal-psycholoog Noortje van Amsterdam. ,,Het kan ook een bron zijn voor processen van in-en uitsluiting.’’

Onderzoek naar sporten

Universitair docent Van Amsterdam, verbonden aan het departement Bestuurs-en Organisatiewetenschap (USBO) van de Universiteit Utrecht, deed onderzoek naar lichaamsnormen in de sport en het bewegingsonderwijs. Haar conclusie: de normen werken sociale ongelijkheid juist in de hand.

Schoonheidsideaal dominant

Ook in de sport is het schoonheidsideaal dominant. Je kunt pas echt sportief zijn als je slank, mooi, strak en gaaf bent, zo is het heersende idee. Ben je te zwaar of heb je een lichamelijke beperking, dan val je buiten de norm. ,,Bij een lichamelijke beperking wordt de schuld daarvan buiten de betreffende persoon gelegd. Maar bij overgewicht en obesitas wordt vaak gedacht dat mensen dat alleen aan zichzelf te danken hebben. Hier wordt in-en uitsluiting op het scherp van de snede bedreven. Mensen voelen zich bijna gerechtigd om hard te oordelen. Vies en verachtelijk, in dat soort termen wordt er over ze gesproken. Ik had niet gedacht dat het zo erg zou zijn.’’

Vragen naar meningen

Voor haar onderzoek AbNormAll Bodies, waarop ze onlangs in Utrecht promoveerde, sprak Van Amsterdam met leerlingen (12-18 jaar) van vwo, havo en vmbo, zowel apart als in groepen. Ook praatte zij met docenten bewegingsonderwijs en observeerde ze bij gymlessen op scholen. Bij de gesprekken maakte zij gebruik van foto’s van mensen over wie leerlingen moesten zeggen of deze personen naar hun idee wel of niet goed in sport zouden zijn.

,,Dik is niet-sportief”

,,Ik vroeg waarom ze dit dachten, waarop ze letten, in hoeverre het uiterlijk een rol speelde en wat hun eigen ervaringen waren. Zelf brachten ze ‘dik’ in verband met ‘nietsportief’. Zij hanteerden algemeen geldende normen voor wat wordt verstaan onder een sportief lichaam voor vrouwen en voor mannen: bovenaan staat de blanke, slanke man. Gevolgd door de blanke, slanke vrouw.’’

Plek in sport vinden

,,Hoe meer kenmerken als dik, gekleurd, fysieke beperking, hoe lastiger je op jonge leeftijd je plek in de sport kunt vinden. Een vrouw wordt sportief gevonden als ze mooi is en niet te gespierd. Een man moet juist wel gespierd zijn en vooral niet te dun. Sumoworstelaars – dik en toch sportief – werden als een exotische uitzondering op de regel beschouwd, al kwamen sommigen daar niet helemaal uit. Sumoworstelaars waren misschien wel sportief, maar zeker niet gezond.’’

Met beperking ook sportief

Dat mensen met een lichamelijke beperking óók sportief kunnen zijn, kwam in de gesprekken met leerlingen niet aan de orde, zegt Van Amsterdam. ,,Dat kwam niet in ze op. Mensen met een lichamelijke beperking zijn ontzettend onzichtbaar in de sport. Toen ik over hen begon, werd gezegd: maar zij kunnen ook veel minder dan mensen zonder beperking. Met andere woorden: hierover hoefden ze het verder echt niet te hebben.’’

Angst

Door sport leren mensen wat het lichaam zou moeten aankunnen en hoe het lijf er zou moeten uitzien. Dat ideaal is voor iemand met overgewicht of een lichamelijke beperking niet of moeilijk haalbaar, concludeert Van Amsterdam. Haken zij daardoor af? Terwijl zij het bewegen misschien het hardste nodig hebben? ,,Bij iedereen werkt zo’n proces anders. Mensen die ik heb gesproken voelen zich belemmerd. Ze zitten op het bankje of bewegen in het veld minimaal – uit angst dat anderen zien dat ze minder hard kunnen lopen. Dit gedrag bevestigt het beeld dat anderen van ze hebben: ‘zie je wel, hij of zij kan het niet’.’’

Minder mogelijkheden

Bij leerlingen met een fysieke beperking zag Van Amsterdam subtiele of juist uitgesproken signalen van uitsluiting. ,,Staren of lachen. Soms had een gymleraar een vooropgesteld idee: een leerling met een fysieke beperking kan niet aan een rekstok hangen. Zo’n leerling krijgt dus minder mogelijkheden aangeboden.’’

Voor spek en bonenMensen die niet voldoen aan de lichaamsnormen durven zich volgens Van Amsterdam op sportief gebied bijna niet buiten de deur te begeven. ,,Zij worden van alle kanten gepusht om te gaan sporten. Tegelijk wordt het ze vrijwel onmogelijk gemaakt om met plezier mee te doen. Ze doen vaak mee voor spek en bonen, ze worden niet serieus genomen. Ik kan me voorstellen dat deze mensen zich niet prettig voelen in de sportschool. Overal hangen spiegels, mensen beoordelen elkaar voortdurend. Als het aan mij ligt, gaan we in de sport terug naar het plezier. Dát zou voorop moeten staan. Ik kan me voorstellen dat er dan minder mensen worden uitgesloten.’’

Hoe doorbreek je die barrière?

,,Een belangrijk middel is om jongeren te leren op een andere manier te kijken naar de beelden die de media ons voorschotelen. Als je de perfecte plaatjes voor lief neemt en niet beseft dat daarachter hele industrieën zitten, dan is het heel moeilijk om daarnaar kritisch te kijken. Dat kan pas wanneer we jongeren bewust maken van hoe normen in beeldmateriaal tot stand komen en welke invloed die hebben op hoe je jezelf en anderen ziet. En dan nog is het moeilijk, ook als je wel aan de heersende lichaamsnormen voldoet. Je kunt je dan moeilijk voorstellen hoe het is als je er anders uitziet.’